
Jurisprudentie
AZ0132
Datum uitspraak2006-10-11
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/2011 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/2011 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
WAO-schatting. Het beroep van appellant op de door de Raad gevormde jurisprudentie met betrekking tot besluiten die mede rusten op het CBBS rust op een onjuiste lezing van die jurisprudentie.
Uitspraak
04/2011 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 15 maart 2004, reg.nr. 03/1446 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Gürses. Het Uwv was vertegenwoordigd door
G.M.M. Diebels.
II. OVERWEGINGEN
De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden vermeld in de aangevallen uitspraak.
In de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het Uwv terecht de WAO-uitkering van appellant berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer per 27 augustus 2003 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Appellant heeft zich in zijn hoger beroepschrift op het standpunt gesteld dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de bij hem bestaande psychische klachten. Naar de opvatting van appellant is de rechtbank ten onrechte tot een uitspraak gekomen zonder nadere tekst en uitleg te vragen aan de appellant behandelend psychiater
R.W. Jessurun. Appellant acht het aangewezen dat de Raad zich alsnog laat voorlichten door een deskundige.
Ter zitting heeft appellant nog gewezen op de door de Raad gevormde jurisprudentie ter zake van besluiten die mede steunen op het zogenoemde CBBS. Naar de mening van appellant vloeit uit deze jurisprudentie voort dat alle besluiten die op het CBBS steunen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dienen te worden vernietigd.
Naar het oordeel van de Raad rust het beroep van appellant op de door de Raad gevormde jurisprudentie met betrekking tot besluiten die mede rusten op het CBBS op een onjuiste lezing van die jurisprudentie. Uit die jurisprudentie volgt geenszins dat alle besluiten die mede steunen op het CBBS reeds daarom niet in stand zouden kunnen blijven.
De Raad heeft in die uitspraken – kort samengevat – overwogen dat het gebruik van het CBBS als ondersteunend systeem bij de beoordeling van aanspraken op een uitkering ingevolge de arbeidsongeschiktheidswetten niet rechtens onaanvaardbaar is. Wel heeft de Raad vastgesteld dat aan het systeem een aantal onvolkomenheden kleeft dat tot gevolg kan hebben dat een met behulp van het CBBS tot stand gekomen besluit onvoldoende toetsbaar, verifieerbaar en transparant is.
In dit geval speelt dit laatste naar het oordeel van de Raad niet. Appellant is naar zijn mening wegens klachten van psychische aard niet in staat de hem voorgehouden functies te verrichten. Door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts is aan deze klachten aandacht besteed. Deze artsen zijn van opvatting dat appellant beperkingen ondervindt als gevolg van een depressieve stoornis. Deze beperkingen zijn beschreven in het rapport van de verzekeringsarts van 24 april 2003 en neergelegd in de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst. Appellant kan functioneren in eenvoudig, gestructureerd en voorspelbaar werk, waarbij veelvuldige storingen en een hoog werktempo vermeden dienen te worden.
In de rapportage van de arbeidsdeskundige is uiteengezet dat de functies gelet op voormelde beperkingen voor appellant geschikt zijn. Op de door de verzekeringsarts aangegeven punten heeft ook nog overleg plaatsgevonden tussen de arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts.
Er is mitsdien geen sprake van dat in dit geval onvoldoende toetsbaar, verifieerbaar en transparant is op welke gronden het Uwv tot het oordeel is gekomen dat appellant met zijn beperkingen de hem voorgehouden functies kan verrichten.
De Raad kan appellant niet volgen in zijn standpunt dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de bij hem bestaande beperkingen van psychische aard.
Uit de in bezwaar door appellant ingebrachte verklaringen van de psychiater Jessurun van 12 augustus 2002 en 11 april 2003 blijkt dat deze arts van opvatting is dat appellant lijdt aan een depressieve stoornis. Ook de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts gaan hiervan uit. Het bestaan van deze stoornis neemt naar de opvatting van deze artsen echter niet weg dat appellant met inachtneming van een aantal beperkingen tot het verrichten van werkzaamheden in staat is.
Uit de verklaringen van Jessurun blijkt geenszins dat appellant niet in staat zou zijn werkzaamheden te verrichten. Voor nader overleg tussen de (bezwaar-)verzekeringsarts en Jessurun bestond mitsdien geen aanleiding.
In hoger beroep heeft appellant een verklaring ingebracht van Jesserun van 22 juli 2004. Hij komt in deze verklaring tot de opvatting dat appellant op 27 augustus 2003 zodanige psychische klachten had dat hij door zijn toestand niet in staat geacht kon worden volledig deel te nemen aan het arbeidsproces.
Ook uit deze verklaring kan de Raad niet opmaken dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen die appellant ondervindt bij het verrichten van arbeid hebben onderschat. Ook de verzekeringarts en de bezwaarverzekeringsarts zijn van opvatting dat appellant niet zonder beperkingen aan het arbeidsproces kan deelnemen. Uit de verklaring van Jessurun blijkt niet - en zeker niet op welke gronden - dat hij van opvatting is dat de door de (bezwaar-) verzekeringsarts gestelde beperkingen onvoldoende zouden zijn.
Op basis van hetgeen appellant naar voren heeft gebracht is de Raad niet kunnen blijken dat de door het Uwv gevolgde opvatting van de (bezwaar-)verzekeringsarts gebrekkig zou zijn geweest dan wel tot een onjuiste conclusie heeft geleid. Voor het inschakelen van een onafhankelijk deskundige ziet de Raad dan ook geen aanleiding.
Het hoger beroep slaagt mitsdien niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. OVERWEGINGEN
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006.
(get.) J. Brand.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
MR